Dit verhaal is eerder verschenen in Grim-1, hier te verkrijgen.
De capsule sloeg met een rauwe dreun in de atmosfeer. Alles gloeide. Alles schreeuwde. Kick Marston voelde zijn ribben schokken onder de riemen, zijn ingewanden dansten als losgerukte ballast. Buiten was alleen vuur. Binnen was alleen de dood die even pauze hield.
Toen alles uiteindelijk stilviel, hing hij even in de schemering tussen leven en iets anders. Zijn adem ging zwaar; zwavel rook hij, bloed proefde hij. Langzaam, met stijve handen, wrikte hij de gordels los en duwde het luik open.
De wereld die hem ontving, was niet de zijne. De lucht had een vale, matte tint, alsof een onzichtbare hand de kleuren uit de hemel had gespoeld. Gras was als een verbrand tapijt, struiken waren zieltogend en flets. Gebouwen torenden op in de verte, maar hun lijnen waren scheef, hun schaduwen te lang, te scherp. Er was geen geluid. Geen vogels. Geen wind. Alleen het gekras van zijn laarzen op de versplinterde aarde.
In de verte bewoog iets. Mensen, leek het, een handvol silhouetten tegen de horizon, traag en houterig. Ze droegen uniformen van de ruimtevaartautoriteit, maar hun gezichten … hun gezichten waren vlekken. Te glad. Te leeg.
Kick hief zijn hand, zwaaide. ‘Commandant Marston,’ riep hij, zijn stem rauw, ‘geland zoals gepland. Ik stel zo op prijs dat jullie er al zijn.’ Geen antwoord. Alleen trage stappen, stofwolken die hun voeten niet leken te beroeren. Een koude hand streek langs zijn ruggengraat. Iets klopte niet. Niet in de details, maar in de structuur van alles. Zoals een schilderij dat bij nadere inspectie een net te kleine horizon had, een lichtval die onmogelijk kon zijn.
Kick haalde diep adem. De lucht rook zuur, als rottend vlees onder zonnewarmte. Zijn knieën knikten toen de eerste figuur dichtbij genoeg kwam om hem aan te kijken.
De ogen … waren leeg, alsof er niemand thuis was. En toen glimlachte het. Geen vriendelijke glimlach. Geen menselijke.
Elk instinct in Kicks lijf schreeuwde dat hij weg moest komen. Onwillekeurig strompelde hij langs de capsule, zijn laarzen schrapend over de scherpe kiezels. Zijn verstand schreeuwde hem toe om terug te keren, zich te verschansen, te wachten op een redding die niet zou komen, maar zijn lijf droeg hem verder, uit de buurt van het vermeende gevaar. Hij rende voorzover zijn verzwakte spieren dat toelieten.
Een uur later, uitgeput, de stad lag verderop als een open wond. Torens van beton en glas staken als roestige spiesen uit de grond, hun gevels geschonden door onzichtbare klauwen. Bewegende stippen kropen door de straten, mensen, of iets dat ervoor moest doorgaan.
Hij passeerde een vervallen wegwijzer, New Balaton – 3 km. Zijn thuisbasis, gebouwd in de krater van een antieke meteoorinslag. Met elke stap leek de zwaartekracht toe te nemen. Zijn rug kromde zich onder een gewicht dat niet alleen fysiek was. Schaduwen trokken aan zijn voeten. Huizen leunden naar hem toe alsof ze wilden fluisteren.
De eerste ontmoeting vond plaats aan de rand van een vervallen parkeerterrein. Een vrouw, althans, haar vorm, stond bij een kapotte fontein. Ze droeg een witte jurk, te wit tegen de grauwe achtergrond. Haar gezicht leek niet helemaal af, alsof het met haast was geboetseerd en daarna vergeten. ‘Kick Marston,’ zei ze, haar stem glad als olie. ‘Welkom thuis.’
Hij hapte naar adem. ‘Wie… ben jij?’
Ze lachte. Geen geluid kwam uit haar mond, alleen een siddering in de lucht. Toen draaide ze zich om en gleed de straat op, haar voeten nauwelijks het plaveisel rakend.
Kick rende haar achterna, wanhopig om uitleg. Op elke hoek, in elke reflectie, zag hij meer mensen zoals zij, die bewogen alsof ze een toneelstuk speelden dat hij niet kende. Hun gebaren herhaalden zich, subtiel verkeerd getimed, als kapotte poppen.
De geur van de stad werd erger. Iets in de lucht stierf langzaam, keer op keer. In de verte stond een bekende figuur, als altijd gekleed in zijn tweed en corduroy, zijn oude mentor, kapitein Reynolds. Kicks hart bonsde. Hij haastte zich ernaartoe.
‘Reynolds!’ riep hij. ‘Wat is hier gebeurd? Waarom is …’
De man draaide zich om. Zijn ogen waren zwart en glanzend als kiezels uit een rivierbedding. Zijn mond bewoog, maar de woorden kwamen met vertraging, als door een kapotte radio. ‘Je … bent … thuis.’
Kick wankelde achteruit. De breuk voelde niet als iets dat gebeurde, maar als iets dat zich langzaam van binnen uitspreidde, als een virus. Wat hij zag was niet een veranderde Aarde, het was een Aarde die nooit echt was geweest wat hij dacht. En hij begon te vermoeden dat wat hem hier verwelkomde, nooit had gewild dat hij weer zou vertrekken.
De stad bewoog. Niet zoals wind over een veld bewoog, niet zoals water langs stenen gleed, maar als iets dat tegen zijn wil in leven gehouden werd. Kick voelde het onder zijn voeten, de straten schokten met trage, onnatuurlijke horten. Elk gebouw leek te buigen, alsof het een gewicht droeg dat niemand kon zien.
Boven hem brak de hemel open. Geen sterren, geen maan, alleen rafelige barsten waaruit iets donkers sijpelde, zwaar en stroperig als uitgeperst bloed. Kick rende. Geen plan, geen richting. Alleen de reflex van iets dat nog even wilde bestaan.
Achter hem laaide geluid op, geen geroep, geen bevelen, maar iets wat klonk als gebroken klokken en vlees dat van botten werd gescheurd.
Toen kwamen ze. Uit spleten in de muren, uit de afvoergoten, uit de rottende karkassen van auto’s. De wezens die hem eerder met lege glimlachen hadden begroet, hun lichamen wrongen zich nu uit menselijke vormen als larven uit gescheurde poppen. Gezichten als maskers, ogen die te veel en te weinig tegelijk waren. Lichamen die leken te groeien en krimpen bij elke stap. Ze stormden niet. Ze sleepten zichzelf voort, als in een droom waarin rennen onmogelijk is.
Kick greep naar zijn bowey mes, lang, scherp, en doordrenkt met de geur van vergetelheid. Zijn hand beefde niet eens meer. Misschien had hij zijn angst onderweg ergens verloren. Misschien had hij hem gewoon achtergelaten in de capsule, naast zijn menselijkheid. Rondom hem sloot de wereld zich. Een dichte, stinkende haag van tanden, klauwen en lege ogen.
En in dat ogenblik, tussen het ranzige, klotsende geluid van de wezens en het bonken van zijn eigen stappen, wist Kick het zeker, dit was nooit zijn thuis geweest. Het was zijn kerker. Altijd al geweest.
Na wat een eeuwigheid leek sleepte Kick zich naar de rand van de krater. Nadat hij zich door de haag wezens had gevochten, bloedde zijn schouder warm en traag. Zijn voeten gleden telkens weg over de gespleten grond. Hij rook niets meer. Hoorde niets meer. De wereld was leeggezogen, een vacuüm waarin alleen zijn eigen hartslag nog echode, steeds trager, steeds zwaarder.
Beneden lag de lanceerbasis: verkoolde gebouwen, verkreukelde communicatieschotels, skeletten van raketten die nooit de hemel hadden bereikt. Hij knielde neer. Niet uit vrije wil, maar omdat zijn lichaam geen bevelen meer aannam.
In de stilte kwamen de gedachten. Hij had de sterren gezien. Had zich uit de zwaartekracht van de Aarde losgerukt, als een kind dat voor het eerst zijn ogen opent en beseft dat alles waaraan hij zich had vastgehouden een leugen was.
In de ruimte was geen god. Geen bestemming. Alleen de waarheid, naakt en koud. De Aarde was nooit zijn thuis geweest. Ze had zich altijd vermomd, in zonsondergangen, in geliefden, in lege rituelen. Een hel, zo oud als het eerste kloppende hart.
Hij had het alleen nooit willen zien. Blindheid was makkelijker. Kick keek naar zijn handen, bloed, vuil, huid die losliet bij de knokkels. Wat restte er nog van hem?
In de verte kwamen de wezens, hun lichamen waggelend, samenvloeiend als een vloedgolf van vlees en tanden. Geen woede in hun blikken. Geen wreedheid. Alleen een onvermijdelijkheid.
Kick glimlachte. Geen angst meer. Geen illusies meer. Met zijn laatste kracht stond hij op, zocht het hoogste punt, spreidde zijn armen, en sprong zo ver mogelijk de krater in. Er was geen schreeuw, alleen de omhelzing van de ware wereld, eindelijk ontdaan van zijn leugens.




