Remi Lootens – Karma Sutra / Ogenblik

Eerder verschenen in Grim-0, hier te verkrijgen.

 

Het is onbetaald werk. Van ambtswege, dat wel. Ik hoef geen geld, ik bewijs mijn land een dienst. Patriottisme, kent de jeugd dat nog? Burgers zoals ik nemen tenminste hun verantwoordelijkheid.

Als zo’n kut binnengebracht wordt, kijk ik eerst hoe ze eraan toe is. Of er nog wil in zit. Dat is het eerste dat eruit moet. Zonder wil is er niet veel aan. Dan ga ik ook wel aan de slag, maar het voelt mechanisch. Begrijp me niet verkeerd, ik ben nog van de oude stempel: ik hoef geen gereedschap. De ware ambachtsman werkt enkel met zijn handen. En zijn voeten. En zijn pik. Mijn lichaam kan zich als een mechanisme gedragen. Waar mogelijk vermijd ik echter bandwerk. Ik bouw liever een persoonlijke relatie op met wie gecorrigeerd moet worden. Zo krijg je de beste resultaten, geloof me.

Zo heet de dienst, trouwens: Correctional Facility. Het staat in grote letters in reliëf boven de toegangspoort aan Liberty Avenue. Om de paar maanden zet ik de letters in vers bloed. Het mag druipen, heeft de directeur me verteld. De muur wordt nooit gereinigd. De reiniging gebeurt binnen, waar het telt.

Ik moet dadelijk wel aan de slag, de volgende kut wordt gauw binnengebracht. Hou het stil, ik word niet graag gestoord. De dynamiek tussen gastheer en gast is heilig.

 

Als de wachters met de draagbaar de deur open stoten, komt het vertrouwde gevoel op. Mijn soldaat daar beneden geeft saluut, junior waant zich al een generaal. Mijn collega’s knikken me toe en zetten stilzwijgend de baar op de stoffige vloer. Ik wuif hen weg.

Je moet altijd krachtig openen. Ik trap uit alle macht een van de voorste handvatten van de baar weg; de ijzeren tip van mijn schoen maakt een dof geluid. De baar beschrijft een kwartcirkel, de kut erop begint te snikken. Ze is dom of naïef – ze kijkt me namelijk aan. Moet je niet doen, zo maak je het alleen erger. Mij maakt het niet uit, ik denk aan haar welzijn. Dat hoort zo van staatswege. Geen buitensporig geweld gebruiken, tenzij de gasten daartoe aanleiding geven. Ze behoren mijn behandeling levend te doorstaan. De staat heeft elke burger nodig.

Straks komt er weer eentje binnen; het tempo ligt hoog. Niet aarzelen dus. Ik trap mijn gast met volle kracht in de maag. Ze schreeuwt het uit, maar geluid doet me niet zoveel meer. Hoe langer je dit werk doet, hoe dover je wordt. Jammer, misschien. Ze is naakt, natuurlijk. Ik bestudeer de afdruk van mijn zool op haar huid. Mijn schoenen beginnen te slijten, ik draai dan ook overuren in de Facility. Na veertig correcties krijg ik een nieuw uniform. Nog twaalf beurten te gaan. Alles ligt helder vast in de Facility, twijfel is nergens voor nodig, nooit.

Het is verdacht stil geworden. Ik spuug de vrouw in het gezicht. ‘Wel wakker blijven, rebellenkut.’ Ik buk me en graai het clipboard vanonder haar kont. Er zit een bruine veeg op. Maakt niet uit. Ik werk met stront, bloed, lichaamssappen, niets is mij vreemd. Mijn collega’s hebben haar al voor me opgewarmd. Standaard-anaal, niets creatiefs. Voor het maatwerk moet je bij mij zijn.

Geen bijzonderheden op het formulier. Caroline DeSway, opgepakt voor kunstzinnige uitingen. De natie gaat kapot aan wannabe-kunstenaars. De enige goede kunst is wat de staat verheft. ‘Ballad of the weeping widow? Origineler worden jullie niet.’ Haar man is gesneuveld in de loopgraven in Burraja. Wie sneuvelt er in godsnaam in Burraja? Meer staat er niet op het blad, hoeft ook niet. Een zwakkeling, wellicht. Wie vol overtuiging vecht, overleeft. Zeker daar.

‘Ik weet niets,’ prevelt ze. Een traan rolt over haar wang. Meer schrik dan wat anders. Daar kan ik mee uit de voeten. Het ritueel begint. Ik ga op haar zitten, schurk mijn geslacht tegen de enige opening waarmee ze niet kan liegen, en open tergend langzaam de drie gespen die haar fixeren. Haar volle borsten deinen mee op het ritme van de mij vertrouwde bewegingen.

Karma Sutra,’ zeg ik. ‘Je krijgt wat je verdient, met de groeten van het oppercommando.’ Ik sla haar met de vlakke hand in het gezicht, meermaals. Eerst worden haar ogen groot, daarna knijpt ze ze tot spleetjes. Ze mag nog blind zijn (dat wordt ze misschien straks), aan deze realiteit valt niet te ontsnappen. Artiesten, tsss.

Ze spartelt zielig onder me als ik mijn riem loskoppel. Mijn rits gaat open. Zijn naast anaal ongetwijfeld de revue gepasseerd, voor Caroline me werd toegestopt: vaginaal, oraal, en tegenwoordig ook plakkerig spul in d’r oren (onze nieuwe aanwinst Gerard heeft een micropenis – de staat discrimineert niet). Ze is al murw, maar er zit nog speling op. Er zit altijd speling op.

‘Zing maar een ander lied, trut. Wie zijn je bohemien kameraadjes? Waar komen jullie samen?’ Haar mond gaat open, geluidloos. Haar tanden kleuren rood van het bloed. Oraal daarnet, ja, maar wel met twee lullen tegelijk. Wij zijn allen broeders in de Correctional Facility. Wat mijn is, dijn is. Ik duw mijn duimen onder haar kaakbeen, heel hard. Wurging is me te min. Ik heb overigens echt antwoorden nodig. Ze probeert haar hoofd amechtig van links naar rechts te bewegen op de met zweet doordrenkte draagbaar. Zinloos verzet.

‘Plaats van samenkomst, teef.’ Het is belangrijk om de gasten rechtstreeks aan te spreken tijdens de behandeling. Ik lik met mijn tong haar ogen open. Het zilte vocht jaagt een rilling door mijn lijf. ‘Ik ga je helemaal uitwonen, kut, tot je de staat geeft waar die recht op heeft.’ En met die woorden dring ik diep in haar binnen. Het voelt warm daar beneden. Ik stoot door waar anderen stoppen, voor mijn land heb ik de beruchte verlengingsoperatie ondergaan. Velen voelen zich geroepen, niet iedereen komt ervoor in aanmerking. Het is nog steeds mijn eigen lichaam, ik ben en blijf ambachtsman. Terwijl ik aan een ongenadig ritme haar cervix sloop, bijt ik in haar oor, steeds weer. Gerards sperma heeft een heel aparte smaak. Ik denk dat hij vaak andijvie eet. Gezond spul. Dat vraagt de staat van ons: verzorg je lichaam en g-…

Ha, ze wringt haar vrouwenhandjes om mijn hals. Het oppercommando zij geprezen, ze heeft nog wil. Goed, heel goed. Ik rijt met mijn tanden haar oor open, ruk mijn hoofd naar achteren en geef haar een kopstoot. Haar lichaam begint hevig te schokken. Duizelig ga ik rechtop staan; ik adem diep in. Haar zielige gekerm bereikt me nauwelijks. De lucht is zwanger van verwachting. Het stukje oorlel spuug ik tegen de muur.

Haar verradersbloed druipt in dikke druppels van mijn martellul en maakt een grillige tekening op haar bovenlijf. Ik tast naar mijn hals. Mmm, lekker pijnlijk.

‘Weet je wat een eyefuck is?’ Ze heeft er geen idee van, kan niet. Alleen ingewijden als ik krijgen toegang tot de Karma Sutra. Negenenzestig illustraties in kleur, met in zwierige letters aanwijzingen over opbouw, hoek, tempo, breekpunt. Ik mag er voor het slapengaan graag in verwijlen, ook al ken ik het boek uit het hoofd.

Ik wijs naar haar oog en fluister: ‘Holtes genoeg.’

Hun huid krijgt een bepaalde kleur als ze breken, dieproze. ‘Onder de kiosk op Honour Square, drie uur ‘s nachts, elke …’

Ik schud mijn hoofd, ze valt stil. Ze zegt te veel ineens, het komt wel vaker voor. De klok aan de muur leert me dat er minuten resten tot de volgende gast wordt binnengebracht. Ik zit mooi op schema. Er is nog tijd, een ogenblik is al wat ik nodig heb.

‘Vertel me de details langzaam en precies. Eerst doe ik je rechteroog. Stoot na stoot: je kompanen, de agenda, jullie timing. Stotter niet, twijfel is voor staatslozen. Ben ik tevreden, dan ga je halfziende buiten. Dat is meer dan je verdient. Zoniet …’ Mijn lul gaat helemaal rechtop staan en wijst schuin in de richting van haar andere oog.

 

En jij, heb je alles gefilmd? Prima, alweer een aflevering klaar voor Schooltelevisie. De volgende generatie van onze glorierijke staat opvoeden, daar werk ik graag aan mee.

 

 

Hel op Aarde – Remi Lootens

Dit verhaal is eerder verschenen in Grim-1, hier te verkrijgen.

De capsule sloeg met een rauwe dreun in de atmosfeer. Alles gloeide. Alles schreeuwde. Kick Marston voelde zijn ribben schokken onder de riemen, zijn ingewanden dansten als losgerukte ballast. Buiten was alleen vuur. Binnen was alleen de dood die even pauze hield.

Toen alles uiteindelijk stilviel, hing hij even in de schemering tussen leven en iets anders. Zijn adem ging zwaar; zwavel rook hij, bloed proefde hij. Langzaam, met stijve handen, wrikte hij de gordels los en duwde het luik open.

De wereld die hem ontving, was niet de zijne. De lucht had een vale, matte tint, alsof een onzichtbare hand de kleuren uit de hemel had gespoeld. Gras was als een verbrand tapijt, struiken waren zieltogend en flets. Gebouwen torenden op in de verte, maar hun lijnen waren scheef, hun schaduwen te lang, te scherp. Er was geen geluid. Geen vogels. Geen wind. Alleen het gekras van zijn laarzen op de versplinterde aarde.

In de verte bewoog iets. Mensen, leek het, een handvol silhouetten tegen de horizon, traag en houterig. Ze droegen uniformen van de ruimtevaartautoriteit, maar hun gezichten … hun gezichten waren vlekken. Te glad. Te leeg.

Kick hief zijn hand, zwaaide. ‘Commandant Marston,’ riep hij, zijn stem rauw, ‘geland zoals gepland. Ik stel zo op prijs dat jullie er al zijn.’ Geen antwoord. Alleen trage stappen, stofwolken die hun voeten niet leken te beroeren. Een koude hand streek langs zijn ruggengraat. Iets klopte niet. Niet in de details, maar in de structuur van alles. Zoals een schilderij dat bij nadere inspectie een net te kleine horizon had, een lichtval die onmogelijk kon zijn.

Kick haalde diep adem. De lucht rook zuur, als rottend vlees onder zonnewarmte. Zijn knieën knikten toen de eerste figuur dichtbij genoeg kwam om hem aan te kijken.

De ogen … waren leeg, alsof er niemand thuis was. En toen glimlachte het. Geen vriendelijke glimlach. Geen menselijke.

Elk instinct in Kicks lijf schreeuwde dat hij weg moest komen. Onwillekeurig strompelde hij langs de capsule, zijn laarzen schrapend over de scherpe kiezels. Zijn verstand schreeuwde hem toe om terug te keren, zich te verschansen, te wachten op een redding die niet zou komen, maar zijn lijf droeg hem verder, uit de buurt van het vermeende gevaar. Hij rende voorzover zijn verzwakte spieren dat toelieten.

Een uur later, uitgeput, de stad lag verderop als een open wond. Torens van beton en glas staken als roestige spiesen uit de grond, hun gevels geschonden door onzichtbare klauwen. Bewegende stippen kropen door de straten, mensen, of iets dat ervoor moest doorgaan.

Hij passeerde een vervallen wegwijzer, New Balaton – 3 km. Zijn thuisbasis, gebouwd in de krater van een antieke meteoorinslag. Met elke stap leek de zwaartekracht toe te nemen. Zijn rug kromde zich onder een gewicht dat niet alleen fysiek was. Schaduwen trokken aan zijn voeten. Huizen leunden naar hem toe alsof ze wilden fluisteren.

De eerste ontmoeting vond plaats aan de rand van een vervallen parkeerterrein. Een vrouw, althans, haar vorm, stond bij een kapotte fontein. Ze droeg een witte jurk, te wit tegen de grauwe achtergrond. Haar gezicht leek niet helemaal af, alsof het met haast was geboetseerd en daarna vergeten. ‘Kick Marston,’ zei ze, haar stem glad als olie. ‘Welkom thuis.’

Hij hapte naar adem. ‘Wie… ben jij?’

Ze lachte. Geen geluid kwam uit haar mond, alleen een siddering in de lucht. Toen draaide ze zich om en gleed de straat op, haar voeten nauwelijks het plaveisel rakend.

Kick rende haar achterna, wanhopig om uitleg. Op elke hoek, in elke reflectie, zag hij meer mensen zoals zij, die bewogen alsof ze een toneelstuk speelden dat hij niet kende. Hun gebaren herhaalden zich, subtiel verkeerd getimed, als kapotte poppen.

De geur van de stad werd erger. Iets in de lucht stierf langzaam, keer op keer. In de verte stond een bekende figuur, als altijd gekleed in zijn tweed en corduroy, zijn oude mentor, kapitein Reynolds. Kicks hart bonsde. Hij haastte zich ernaartoe.

‘Reynolds!’ riep hij. ‘Wat is hier gebeurd? Waarom is …’

De man draaide zich om. Zijn ogen waren zwart en glanzend als kiezels uit een rivierbedding. Zijn mond bewoog, maar de woorden kwamen met vertraging, als door een kapotte radio. ‘Je … bent … thuis.’

Kick wankelde achteruit. De breuk voelde niet als iets dat gebeurde, maar als iets dat zich langzaam van binnen uitspreidde, als een virus. Wat hij zag was niet een veranderde Aarde, het was een Aarde die nooit echt was geweest wat hij dacht. En hij begon te vermoeden dat wat hem hier verwelkomde, nooit had gewild dat hij weer zou vertrekken.

 

De stad bewoog. Niet zoals wind over een veld bewoog, niet zoals water langs stenen gleed, maar als iets dat tegen zijn wil in leven gehouden werd. Kick voelde het onder zijn voeten, de straten schokten met trage, onnatuurlijke horten. Elk gebouw leek te buigen, alsof het een gewicht droeg dat niemand kon zien.

Boven hem brak de hemel open. Geen sterren, geen maan, alleen rafelige barsten waaruit iets donkers sijpelde, zwaar en stroperig als uitgeperst bloed. Kick rende. Geen plan, geen richting. Alleen de reflex van iets dat nog even wilde bestaan.

Achter hem laaide geluid op, geen geroep, geen bevelen, maar iets wat klonk als gebroken klokken en vlees dat van botten werd gescheurd.

Toen kwamen ze. Uit spleten in de muren, uit de afvoergoten, uit de rottende karkassen van auto’s. De wezens die hem eerder met lege glimlachen hadden begroet, hun lichamen wrongen zich nu uit menselijke vormen als larven uit gescheurde poppen. Gezichten als maskers, ogen die te veel en te weinig tegelijk waren. Lichamen die leken te groeien en krimpen bij elke stap. Ze stormden niet. Ze sleepten zichzelf voort, als in een droom waarin rennen onmogelijk is.

Kick greep naar zijn bowey mes, lang, scherp, en doordrenkt met de geur van vergetelheid. Zijn hand beefde niet eens meer. Misschien had hij zijn angst onderweg ergens verloren. Misschien had hij hem gewoon achtergelaten in de capsule, naast zijn menselijkheid. Rondom hem sloot de wereld zich. Een dichte, stinkende haag van tanden, klauwen en lege ogen.

En in dat ogenblik, tussen het ranzige, klotsende geluid van de wezens en het bonken van zijn eigen stappen, wist Kick het zeker, dit was nooit zijn thuis geweest. Het was zijn kerker. Altijd al geweest.

 

Na wat een eeuwigheid leek sleepte Kick zich naar de rand van de krater. Nadat hij zich door de haag wezens had gevochten, bloedde zijn schouder warm en traag. Zijn voeten gleden telkens weg over de gespleten grond. Hij rook niets meer. Hoorde niets meer. De wereld was leeggezogen, een vacuüm waarin alleen zijn eigen hartslag nog echode, steeds trager, steeds zwaarder.

Beneden lag de lanceerbasis: verkoolde gebouwen, verkreukelde communicatieschotels, skeletten van raketten die nooit de hemel hadden bereikt. Hij knielde neer. Niet uit vrije wil, maar omdat zijn lichaam geen bevelen meer aannam.

In de stilte kwamen de gedachten. Hij had de sterren gezien. Had zich uit de zwaartekracht van de Aarde losgerukt, als een kind dat voor het eerst zijn ogen opent en beseft dat alles waaraan hij zich had vastgehouden een leugen was.

In de ruimte was geen god. Geen bestemming. Alleen de waarheid, naakt en koud. De Aarde was nooit zijn thuis geweest. Ze had zich altijd vermomd, in zonsondergangen, in geliefden, in lege rituelen. Een hel, zo oud als het eerste kloppende hart.

Hij had het alleen nooit willen zien. Blindheid was makkelijker. Kick keek naar zijn handen, bloed, vuil, huid die losliet bij de knokkels. Wat restte er nog van hem?

In de verte kwamen de wezens, hun lichamen waggelend, samenvloeiend als een vloedgolf van vlees en tanden. Geen woede in hun blikken. Geen wreedheid. Alleen een onvermijdelijkheid.

Kick glimlachte. Geen angst meer. Geen illusies meer. Met zijn laatste kracht stond hij op, zocht het hoogste punt, spreidde zijn armen, en sprong zo ver mogelijk de krater in. Er was geen schreeuw, alleen de omhelzing van de ware wereld, eindelijk ontdaan van zijn leugens.

 

De laatste golf – Jarne Vaes

Verscheen eerder in Grim-0, verkrijgbaar als tijdschrift bij Amazon

De stad was stil nu. Niet de kalme of troostende stilte, eerder de geladen, dreigende stilte van een verlaten slagveld. Elke straat was een opeenstapeling van mislukkingen, elk gebroken raam een getuige van de ondergang. Mark zat op het dak van een deels ingestorte parkeergarage, zijn rug tegen een betonnen pijler. De ochtend­zon kroop moeizaam omhoog, maar het licht leek onwillig. Het trok zich terug in scheuren en schaduwen, bang voor wat het zou onthullen.

Zijn handen trilden, niet van de kou. Het was ongewoon warm voor januari. Het waren de beelden die zich in zijn hoofd vast klauwden, als hongerige parasieten. Hij ademde diep en proefde de geur in de lucht: de metaalachtige stank van bloed, het bittere aroma van verrotting, en die misselijkmakende, zoetige damp. De geur van de parasieten. Hij voelde ze bijna op zijn tong wriemelen.

De eerste golf kwam volledig onverwacht, plotseling, nietsontziend. Mensen vielen simpel­weg om, in winkels, in parken, op straat. Het leek of ze uitgezet waren, alsof de stekker eruit ging. De dood was helaas niet het einde, eerder een voorbode.

Hij had het van dichtbij gezien. Te dichtbij.

De herinnering kwam terug. Hij kon niet wegkijken. Het gezicht van meneer Vreeke, de oude man van een paar huizen verderop. Eerst hoestte hij alleen stevig. Zijn huid zwol op, rekte uit, alsof iets onder de oppervlakte probeerde te ontsnappen. Donkere aderen kronkelden onder zijn huid, steeds dikker, steeds zwarter. En toen bloedde hij. Kleine straaltjes rood sijpelden uit neus, oren, zelfs uit zijn ogen. Het was alsof hij smolt vanbinnen.

Meneer Vreeke wilde iets zeggen. Zijn lippen bewogen, wat geen woorden maar een slijme­rige, schuimige massa opleverde die zich vermengde met het bloed. De stank was ondraaglijk, een cocktail van rotting en giftige chemicaliën. En toen … de explosie.

Het geluid was laag en nat, meer een open­scheuren. Zijn huid spatte in een oogwenk open. Wat eronder zat, was niet menselijk. Bloed en pus spoten in dikke stralen over de stoep, over de muren, over hem, met achterlating van een zwevende mist. Tussen de bloederige nevel dwarrelden kleine, witte stippen, eitjes, of minuscule sporen. Mark kon ze nauwelijks zien, maar hij wist dat ze er waren, zwevend als dood in ademvorm.

Abandoned city at dawn with anguish - Pavel Aronovitz
Abandoned city at dawn with anguish – Pavel Aronovitz

Hij schreeuwde niet eens. Hij stond verstijfd, warme druppels bloed gleden langs zijn gezicht zijn mond in. Het was metaalachtig en zout, met een rare, chemische bijsmaak. Hij rende pas toen hij een raar sissen hoorde. Op TV legde een wetenschapper het uit: Het sissen kwam van sporen die zich vastzetten op natte opper­vlakken, huid, ogen, longen.

Hij sloot zich dagenlang op in zijn badkamer, trillend en kokhalzend. Elke hoest was een doodvonnis. Elke jeuk op zijn huid een teken van naderend onheil. Hij waste zichzelf fanatiek, schrobde tot zijn huid rauw en rood was, tot de geur van meneer Vreeke eindelijk vervaagde. De angst bleef, natuurlijk.

De tweede golf was erger. Er was geen sprake meer van onverwachte dood, geen schok van het onbekende. Mensen wisten wat er kwam. Dat maakte het juist erger. Hij probeerde niet te kijken wanneer iemand begon op te zwellen. Maar hoe kun je wegkijken als een mens midden op straat verandert in een levend gruwel­spektakel?

Hij herinnerde zich een vrouw in een super­markt, vlak bij de kassa. Haar ogen waren bloeddoorlopen, haar lippen gebarsten, en haar buik … Haar buik leek uit te zetten alsof er iets probeerde te ontsnappen. Zodra ze in elkaar zakte, opende haar mond zich in een schui­mende, natte schreeuw die abrupt werd afgesneden. Haar lichaam schokte, begon te stuiptrekken. Haar ribbenkast boog naar buiten, alsof haar botten probeerden te breken. En toen … de knal.

De effecten waren gruwelijk. Het bloed van de vrouw, donker en dik, bedekte de muren en vloer, maar wat erin zat was de echte horror. Kleine wormachtige beestjes kronkelden in de rode plas, als levende naaldjes, piepklein maar onmis­kenbaar levend. Sommige kropen omhoog tegen de kassa. Andere verhardden en explo­deerden, waarbij sporen vrijkwamen als een ijle mist, die zich verspreidde door de ruimte. Het schreeuwen van andere klanten werd al snel overstemd door het geluid van het sissen.

En nu? Nu was er niets meer. Geen geluid, geen leven. Alleen hij, hier op het dak. De trilling in zijn zij was vanmorgen begonnen. Eerst onschul­dig, een soort gespannen gevoel, alsof hij zich verkeerd had bewogen. Maar nu, uren later, voelde het alsof er iets groeide. Iets wat niet van hem was. Hij kon het voelen kloppen, een langzaam ritme onder zijn huid, alsof hij een tweede hart in zijn lichaam had.

Hij staarde naar zijn hand, naar de blauwe aderen die nu donkerder leken dan gisteren. Was het de infectie? Of zijn verbeelding, voortge­komen uit slapeloze nachten en te veel angsten? Hij wilde het weten. Hij moest het weten. Zijn vingernagels drukten in de huid van zijn zij, harder en harder, tot hij eindelijk doorbrak.

Het was geen bloed, er kwam iets anders uit, iets dikkers, kleveriger. Het kroop over zijn vingers, trilde bijna onmerkbaar, alsof het wilde ontsnappen. Hij staarde ernaar, in gruwelijke fascinatie, zijn ademhaling versnelde, zijn hart­slag was wild onregelmatig.

Hij hoorde sissen.

Hij voelde de wind opkomen, zacht en koel. De wereld om hem heen leek weg te zinken in de geur van bloed en sporen. Hij sloot zijn ogen, liet zijn krachteloze handen vallen. Hij kon enkel wachten. Of misschien springen. Of misschien … misschien zou hij gewoon exploderen, en deel worden van de mist.