Verscheen eerder in Grim-0, verkrijgbaar als tijdschrift bij Amazon
De stad was stil nu. Niet de kalme of troostende stilte, eerder de geladen, dreigende stilte van een verlaten slagveld. Elke straat was een opeenstapeling van mislukkingen, elk gebroken raam een getuige van de ondergang. Mark zat op het dak van een deels ingestorte parkeergarage, zijn rug tegen een betonnen pijler. De ochtendzon kroop moeizaam omhoog, maar het licht leek onwillig. Het trok zich terug in scheuren en schaduwen, bang voor wat het zou onthullen.
Zijn handen trilden, niet van de kou. Het was ongewoon warm voor januari. Het waren de beelden die zich in zijn hoofd vast klauwden, als hongerige parasieten. Hij ademde diep en proefde de geur in de lucht: de metaalachtige stank van bloed, het bittere aroma van verrotting, en die misselijkmakende, zoetige damp. De geur van de parasieten. Hij voelde ze bijna op zijn tong wriemelen.
De eerste golf kwam volledig onverwacht, plotseling, nietsontziend. Mensen vielen simpelweg om, in winkels, in parken, op straat. Het leek of ze uitgezet waren, alsof de stekker eruit ging. De dood was helaas niet het einde, eerder een voorbode.
Hij had het van dichtbij gezien. Te dichtbij.
De herinnering kwam terug. Hij kon niet wegkijken. Het gezicht van meneer Vreeke, de oude man van een paar huizen verderop. Eerst hoestte hij alleen stevig. Zijn huid zwol op, rekte uit, alsof iets onder de oppervlakte probeerde te ontsnappen. Donkere aderen kronkelden onder zijn huid, steeds dikker, steeds zwarter. En toen bloedde hij. Kleine straaltjes rood sijpelden uit neus, oren, zelfs uit zijn ogen. Het was alsof hij smolt vanbinnen.
Meneer Vreeke wilde iets zeggen. Zijn lippen bewogen, wat geen woorden maar een slijmerige, schuimige massa opleverde die zich vermengde met het bloed. De stank was ondraaglijk, een cocktail van rotting en giftige chemicaliën. En toen … de explosie.
Het geluid was laag en nat, meer een openscheuren. Zijn huid spatte in een oogwenk open. Wat eronder zat, was niet menselijk. Bloed en pus spoten in dikke stralen over de stoep, over de muren, over hem, met achterlating van een zwevende mist. Tussen de bloederige nevel dwarrelden kleine, witte stippen, eitjes, of minuscule sporen. Mark kon ze nauwelijks zien, maar hij wist dat ze er waren, zwevend als dood in ademvorm.

Hij schreeuwde niet eens. Hij stond verstijfd, warme druppels bloed gleden langs zijn gezicht zijn mond in. Het was metaalachtig en zout, met een rare, chemische bijsmaak. Hij rende pas toen hij een raar sissen hoorde. Op TV legde een wetenschapper het uit: Het sissen kwam van sporen die zich vastzetten op natte oppervlakken, huid, ogen, longen.
Hij sloot zich dagenlang op in zijn badkamer, trillend en kokhalzend. Elke hoest was een doodvonnis. Elke jeuk op zijn huid een teken van naderend onheil. Hij waste zichzelf fanatiek, schrobde tot zijn huid rauw en rood was, tot de geur van meneer Vreeke eindelijk vervaagde. De angst bleef, natuurlijk.
De tweede golf was erger. Er was geen sprake meer van onverwachte dood, geen schok van het onbekende. Mensen wisten wat er kwam. Dat maakte het juist erger. Hij probeerde niet te kijken wanneer iemand begon op te zwellen. Maar hoe kun je wegkijken als een mens midden op straat verandert in een levend gruwelspektakel?
Hij herinnerde zich een vrouw in een supermarkt, vlak bij de kassa. Haar ogen waren bloeddoorlopen, haar lippen gebarsten, en haar buik … Haar buik leek uit te zetten alsof er iets probeerde te ontsnappen. Zodra ze in elkaar zakte, opende haar mond zich in een schuimende, natte schreeuw die abrupt werd afgesneden. Haar lichaam schokte, begon te stuiptrekken. Haar ribbenkast boog naar buiten, alsof haar botten probeerden te breken. En toen … de knal.
De effecten waren gruwelijk. Het bloed van de vrouw, donker en dik, bedekte de muren en vloer, maar wat erin zat was de echte horror. Kleine wormachtige beestjes kronkelden in de rode plas, als levende naaldjes, piepklein maar onmiskenbaar levend. Sommige kropen omhoog tegen de kassa. Andere verhardden en explodeerden, waarbij sporen vrijkwamen als een ijle mist, die zich verspreidde door de ruimte. Het schreeuwen van andere klanten werd al snel overstemd door het geluid van het sissen.
En nu? Nu was er niets meer. Geen geluid, geen leven. Alleen hij, hier op het dak. De trilling in zijn zij was vanmorgen begonnen. Eerst onschuldig, een soort gespannen gevoel, alsof hij zich verkeerd had bewogen. Maar nu, uren later, voelde het alsof er iets groeide. Iets wat niet van hem was. Hij kon het voelen kloppen, een langzaam ritme onder zijn huid, alsof hij een tweede hart in zijn lichaam had.
Hij staarde naar zijn hand, naar de blauwe aderen die nu donkerder leken dan gisteren. Was het de infectie? Of zijn verbeelding, voortgekomen uit slapeloze nachten en te veel angsten? Hij wilde het weten. Hij moest het weten. Zijn vingernagels drukten in de huid van zijn zij, harder en harder, tot hij eindelijk doorbrak.
Het was geen bloed, er kwam iets anders uit, iets dikkers, kleveriger. Het kroop over zijn vingers, trilde bijna onmerkbaar, alsof het wilde ontsnappen. Hij staarde ernaar, in gruwelijke fascinatie, zijn ademhaling versnelde, zijn hartslag was wild onregelmatig.
Hij hoorde sissen.
Hij voelde de wind opkomen, zacht en koel. De wereld om hem heen leek weg te zinken in de geur van bloed en sporen. Hij sloot zijn ogen, liet zijn krachteloze handen vallen. Hij kon enkel wachten. Of misschien springen. Of misschien … misschien zou hij gewoon exploderen, en deel worden van de mist.




